story of Alfa Romeo

De Fransman Alexandre Darracq was begin 1900 overtuigd dat de Italiaanse automarkt, vergeleken met de Franse en Duitse, rijp was voor oudere en kleinere modellen uit zijn reeds bestaande fabriek in Frankrijk. Darracq was echter niet erg succesvol in zijn onderneming en de samenwerking werd verbroken. Vanaf 24 juni 1910 voerde de onderneming een nieuwe naam : Anonima Lombarda Fabbrica Automobili, kortweg ALFA. De eerste echte Alfa was de 24 HP met een vermogen van 42 paardekracht of viermaal de kracht van het grootste Darracqmodel dat hij moest vervangen. Tijdens de 1ste wereldoorlog rolde er geen enkele wagen van de band bij Alfa-Romeo.

Na de 1ste Wereldoorlog stortte de oorlogsindustrie volledig in elkaar. Nicola Romeo zag de kans klaar om alsnog auto's te produceren. De onderneming kreeg een nieuwe naam, het compromis luidde “Alfa Romeo”. Om het nieuwe merk bekendheid te geven begon Alfa Romeo deel te nemen aan de diverse races die in Italië werden gehouden en men wist hier de nodige successen te boeken. De verkoop steeg gestaag.

Rond 1925 ruilde Vittorio Jano het raceteam van Fiat voor dat van Alfa Romeo, met aan het hoofd Enzo Ferrari. Jano construeerde meteen de legendarische P2, een auto die gedurende zeven jaar het Grand Prix-motor racing domineerde. In 1933 dreigde Alfa Romeo failliet te gaan en Alfa Romeo stopte alle competities. Tijdens de tweede helft van de jaren 30 gaat het Alfa Romeo opnieuw voor de wind.

Italië nam deel aan de 2de Wereldoorlog en hierdoor ontstonden voor Alfa Romeo allerlei organisatorische problemen. De bevoorrading werd steeds moeilijker en de fabrieken werden tot driemaal toe gebombardeerd. Het laatste bombardement in 1944 leidde tot een vrijwel volledige stopzetting van de productie.

In 1945 werden de werkzaamheden op kleine schaal hervat. De autoproductie kwam eveneens op gang, om te beginnen met de 6C 2500 en later ook de Tipo 158, Grand Prix-wagens, die werden doorontwikkeld tot de Tipo‘s 159; In de jaren vijftig legde Alfa Romeo zich toe op modellen die in grote series gebouwd konden worden. De onderneming had twee doelstellingen: het opstarten van de lopendeband-productie en het behalen van sportieve successen. De Alfa Romeo 1900 was de eerste die volledig op de lopende band werd geproduceerd. 1950 was ook het eerste jaar van de Formule 1 en Alfa Romeo domineerde de eerste twee jaren.

De markten veranderden echter snel en Alfa Romeo stapte uit de formule 1 om zich meer te richten op productiewagens. In 1954 leverde dit de Giulietta op. In 1960 werd begonnen met de bouw van een nieuwe fabriek, die drie jaar later werd geopend. De eerste auto die er werd geproduceerd was de Giulia, waarvan er meer dan een miljoen exemplaren werden gebouwd. De jaren zeventig waren een periode van ups en downs voor Alfa Romeo. Managementproblemen werden afgewisseld met sportieve successen. De periode werd bepaald door de economisch-financiële situatie van de onderneming, die niet volledig kon voldoen aan de vraag van de markt en bovendien veel last ondervond van de energiecrisis.

In 1964 werd Autodelta opgericht, de onderneming die zich voornamelijk bezig hield met het ontwikkelen van racewagens op basis van standaard productiemodellen. In 1970 werkte Autodelta nauw samen met McLaren en leverde men aan het raceteam de drieliter-V8-motoren die in de formule 1 werden gebruikt.

In 1986 verkocht de overheid Alfa Romeo aan de Fiat-groep, die het samen met Lancia in een nieuwe onderneming samenvoegde, Alfa Lancia S.p.A.genaamd, die het jaar daarop operationeel werd.

De lancering van de Alfa 156 in 1997 vormde een sleutelmoment in de herpositionering van Alfa Romeo op de Europese markt. De Alfa 156 in 1998 en de Alfa 147 in 2001 werden verkozen tot Auto van het Jaar.

In 2005 kocht de Fiat-groep het merk Maserati van Ferrari. De Alfa Lancia S.p.A. werd opgeheven en Maserati werd aan Alfa Romeo toegevoegd. Het duo werd "Polo Sportivo" genoemd. De merken delen motoren, onderstellen en versnellingsbakken, en in sommige gevallen ook verdelers.

Op 1 februri 2007 werd de Fiat-groep hervormd en werden Alfa Romeo, Maserati, Lancia en FIAT ondergebracht in aparte ondernemingen. Voor Alfa Romeo kreeg die onderneming de naam Alfa Romeo Automobili SpA. De verschillende ondernemingen blijven wel allemaal volledig in handen van Fiat Group Automobiles SpA.

story of Aston Martin

Aston Martin, het Britse automerk waar veelal James Bond helden in rondtoeren, is de eigendom van een investeringsgroep rond David Richards. De naam Aston Martin ontstond ten gevolge van een overwinning van Lionel Martin op de Aston Clinton Hillclimb bij het plaatsje Aston Clinton. Eerst had het ingenieursduo Robert Bamford en Lionel Martin auto’s van het merk Singer verkocht, toen ze in 1914 ook besloten auto’s te bouwen. Hun eerste wagen was op een Isotta Fraschini chassis gebouwde 1400 cc-racer.

Met de 1ste Wereldoorlog als spelbreker werd Aston nieuw leven ingeblazen door graaf Louis Zborowski. In 1920 stapte Bamford echter op, waarna Aston Martin in 1922 racewagens maakte voor deelname aan Grote prijs van Frankrijk. In 1924 vertrok Lionel Martin en ging het merk failliet, waarna een aantal rijke investeerders het merk overnamen en naar Feltham verhuisden.

In 1927 werd een 10HP gepresenteerd. In 1931 werd het merk, na liquiditeitsproblemen, overgenomen door Lance Prideaux-Brune en R. Gordon Sutherland. De nieuwe eigenaars besloten zich te concentreren op de productie van wagens bedoeld voor de normale weg.

Na de 2de Wereldoorlog, tijdens welke de wagenproductie quasi nihil was, werd Aston Martin in 1947 overgenomen door een tractorenfabrikant, Sir David Brown. Een jaar later nam Brown het merk Lagonda over. Na de DB1 en DB2 werd in 1957 de raceauto DB3 geïntroduceerd.

De totale ommekeer in de geschiedenis van het merk kwam in 1958 waarbij besloten werd zich meer te specialiseren in auto's die voor de normale weg bedoeld waren. Een absoluut hoogtepunt was 1964 : het gebruik van de inmiddels wereldberoemde DB5 in de James Bond films Goldfinger en Thunderball. In 1972 wordt het bedrijf overgenomen door Compagny Developements. Mede door toenemende milieunormen kwam het bedrijf weer in de problemen en in 1975 werd Aston Martin nogmaals overgenomen door Amerikaanse zakenmensen George Minden en Peter Sprague.

De nieuwe eigenaren vernieuwden de modellijn, introduceerden de V8 Vantage en de Cabriolet in 1977. In 1980 kwam Aston Martin met de Bulldog, een prototype dat moest aantonen dat Aston Martin in staat was een "Supercar" te bouwen. Dit prototype was een voorbode voor de Lagonda, een voor die tijd zeer futuristische wigvormige sedan. Vervolgens werd de onderneming tweemaal verkocht.

In 1987 werd Ford voor 75% eigenaar van Aston Martin. In 1993 kocht Ford de laatste aandelen van Victor Gauntlett en bracht het beroemde merk onder in haar Premier Automotive Group waar ook Volvo, LandRover en Jaguar ondergebracht zijn. Nadat Ford volledig eigenaar was geworden is er veel geld geïnvesteerd in het verbeteren van de productiefaciliteiten en het opvoeren van de productie.

In 1994 rijdt James Bond (The Living Daylights) na een uitstapje naar Lotus in een Aston Martin. Dit keer mag Bond van zijn baas plaatsnemen in een Aston Martin V8 Vantage, die dan wel aan het einde van zijn levensduur is gekomen. De V8 wordt vervangen door de Virage. In 1992 werd een nieuwe Vantage aangekondigd die boven de Virage geplaatst werd. In het daarop volgende jaar werd de DB-lijn nieuw leven in geblazen met de introductie van de DB7 (1993-2003) als "instapmodel". In 2003 kondigde het bedrijf aan terug te keren in de racerij met een nieuwe divisie onder de naam "Aston Martin Racing".

De overname door Ford maakte het Aston Martin mogelijk weer eigenzinnige auto’s te bouwen. In 2007 verkoopt Ford op haar beurt Aston Martin aan David Richards, een oud Brits rallyrijder, die het geld voor zijn aankoop, meer dan 700 miljoen euro, kreeg uit het oliestaatje Koeweit.

story of Audi

In 1899 begon August Horch, de oprichter van Audi die tot dan bij Benz werkte, onder zijn eigen naam auto’s te fabriceren. Omdat Horch zelf niet over voldoende kapitaal beschikte, diende hij bij een aantal geldschieters aan te kloppen. Na een ruzie met hen in 1909, stapte hij uit het bedrijf.

Over het ontstaan van de firmanaam Audi bestaan er verschillende theorieën. Deze lijkt ons de meest aanvaardbare : horen of luisteren betekent in het Oud-Duits “Horchen”. De stam hiervan is “Horch”. Door de familienaam Horch in het Latijn te vertalen krijgt men aldus Audi.

Het automerk Audi was gedurende een aantal jaren erg succesvol, het bouwde zelfs vrachtwagens. De economische crisis van de jaren '30 maakte hier een einde aan. Een aantal automerken dienden noodgedwongen te fusioneren onder de overkoepelende merknaam “Auto Union”. Als symbool voor deze samenwerking gold het logo met de vier ringen.

Door de Tweede Wereldoorlog kwam de productie van personenwagens onder de merknaam Auto Union stil te liggen. Het concern was inmiddels overgenomen door Mercedes-Benz. In 1965 verkocht Mercedes-Benz haar aandeel in Auto Union aan Volkswagen.

Nadat NSU werd overgenomen, en haar slagzin "Vorsprung durch Technik", richtte Audi zich tot het hoogste marktsegment met wagens als de Audi 80, 100 en 200. Begin jaren '80 plaatste Audi zich op definitief op de wereldkaart door haar samenwerking met Porsche. In de 917 (Porsche & Audi) en natuurlijk de vierwielaangedreven Quattro. Voorheen werd 4 x 4 steeds geassocieerd met langzaam rijden en een aantal slechte rijeigenschappen. Audi wijzigde dit echter zeer snel door het wereldkampioenschap rally te winnen, de IMSA series en begin jaren '90 de DTM en de BTCC.

Eind jaren '80 werd de vernieuwde Audi 80 gepresenteerd, die opzien baarde met zijn lage CW en dieselmotoren. In 1994 werd de Audi A4 gepresenteerd en niet lang daarna de A6. Dit alles zorgde voor een stroomversnelling bij Audi. Toen ook nog de Audi TT werd geïntroduceerd werd het imago steeds meer sportief en innovatief. Eind jaren '90 begon Audi met lange afstandsracen, dat kort daarna volledig door hen werd gedomineerd met overwinningen in Sebring, Daytona en Le Mans. In 2006 nam men deel aan 24 uren van Le Mans, die men voor het eerst in de geschiedenis met een dieselmotor won.